Wanneer weet je of je geslaagd bent aan het einde van de rit? Als je je doel hebt gehaald. Maar dan is het wel handig te weten wat dat doel is. Zo ga je op autorijles om auto te mogen rijden en om dat te kunnen met je je rijbewijs halen. Ook als je een brief aan iemand gaat schrijven, is het handig te weten aan wie. Een klacht aan de gemeente, een offerte voor een nieuwe klant, een kaartje aan je oma of een liefdesbrief hebben immers een totaal ander karakter. Stel je maar eens voor wat er gebeurt als je deze door elkaar haalt. Niet handig, toch?

Het is belangrijk dat je les- of trainingsdoelen concreet formuleert, zodat je deelnemers weten wat ze na afloop kunnen. Bij trainingen staat er vaak iets als: inzicht in eigen functioneren/deelnemers hebben ervaringen uitgewisseld, geoefend. Daarmee zeggen de doelen niets over het te behalen resultaat. Of er wordt alleen een programma met onderwerpen getoond.

Is jouw trainingsuitkomst net zo transparant als een zwemdiploma?

ZwemdiplomaA_B

Heel precies is beschreven wat je moet doen om je zwemdiploma te behalen. Enkele voorbeelden van wat je moet kunnen voor zwemdiploma B:

Deel 2: In badkleding zwemmen

  • Van de kant te water gaan met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven te komen) onder water zwemmen door een gat in een verticaal, in het water hangend zeil, dat zich op 6 meter van de (start-)kant bevindt.
  • 75 meter schoolslag, onderbroken door 1 keer voetwaarts richting de bodem zakken; proef afmaken met 75 meter enkelvoudige rugslag.
  • In het water afzetten van de wand, direct gevolgd door
    5 seconden uitdrijven op de borst, aansluitend enkele meters schoolslag, waarna 7 seconden drijven op de borst.

Maar ook bij lessen en trainingen is het mogelijk concreet te maken wat het gaat opleveren. Zorg dat jouw trainingsdoelen afgebakend en haalbaar zijn, en dat ze toetsbaar zijn. Verder is het belangrijk dat je deelnemers ook echt iets kunnen na afloop. Zorg er voor dat je een werkwoord gebruikt.

Je krijgt dan de volgende zin:

Deelnemer is na [activiteit] in staat [inhoud] te [werkwoord].

Bijvoorbeeld:

  1. deelnemer is na [de kernsessie over brein en leren] in staat [7 breintrucs] te [benoemen]
  2. deelnemer is na [de kernsessie over brein en leren] in staat [een analyse van zijn eigen training] te [maken] en [3 verbeterpunten] [aan te geven]
  3. deelnemer is na [de kernsessie over brein en leren] in staat [minstens 4 van de behandelde breintrucs] [toe te passen in zijn eigen praktijk]

focus-282741_960_720

Door focus aan te brengen, help je je deelnemers heel praktisch bij het behalen van hun doelen. Dit kun je doen om focus aan te brengen:

  • Concrete leerdoelen benoemen
  • Deelnemers bijsturen als hun eigen leerdoelen niet helder zijn
  • Programma op flap zetten
  • Trainingsonderdelen helder markeren, bijvoorbeeld via een tussenslide in de powerpointpresentatie, met een speciale lay-out en een muziekfragment
  • Regelmatig benoemen wat de opbrengst is, verwijzen naar het grotere geheel
  • Deelnemers gericht stimuleren aantekeningen te maken, de kern samen te vatten
  • Bijdragen van deelnemers in de context te plaatsen

Wat zijn jouw ervaringen met focus bieden en leerdoelen van deelnemers?

Je reactie is welkom in het commentaarveld hieronder. Daarnaast kun je het artikel delen via een van de knoppen. Bedankt alvast!

Laat een reactie achter